De juffers van Dickninge
Het Benedictijner klooster Dickninge ontstond rond 1140 bij Ruinen. In 1325 verhuisde het naar Dickninge aan de Reest, omdat het bij Ruinen te druk werd. Die drukte, zo werd gezegd, verstoorde de kloosterlijke rust en eenzaamheid. De werkelijke reden lag echter waarschijnlijk elders: dichter bij Salland en onder bisschoppelijke invloed, want de heren van Ruinen eisten steeds meer macht op.
Het klooster aan de Reest groeide snel, zowel financieel als economisch, dankzij giften en schenkingen. In korte tijd werd het een van de grootste grootgrondbezitters in Drenthe. Gaandeweg ontwikkelde Dickninge zich tot een dubbelklooster. De komst van vrouwen betekende extra inkomsten, aangezien zij zich moesten inkopen of waardevolle goederen meebrachten. Binnen een eeuw kregen de vrouwen echter de overhand.
De periode aan de Reest stond bekend om welvaart, maar ook om een dalend geestelijk peil. De kloosterregels van onthouding en armoede werden steeds minder streng nageleefd. Wie kon, dreef handel en verrijkte zich. De nonnen droegen gouden ringen en gingen te paard naar de kermis. Er wordt zelfs verteld dat een van de nonnen zwanger raakte en samen met de rentmeester naar Hasselt vluchtte, waar ze trouwden. Dit ‘ondeugende nonnetje’ zou de stammoeder zijn geworden van een eerzaam geslacht.
Na de Hervorming raakte het klooster in verval. De beruchte troepen van ‘Bommen Berend’ richtten er een ravage aan. In 1795 verkocht de provincie Drenthe een deel van het klooster aan Reint Hendrik de Vos van Steenwijk. Hij liet het oude klooster afbreken en bouwde op dezelfde plek het huidige Huis Dickninge.
