De Duvelskoele bij Koekange
In Koekange woonde een man met een klein boerderijtje. Hij kon er net zijn gezin mee onderhouden, maar veel meer zat er niet in. Armoe troef.
"Ach, kon iemand mij maar helpen," verzuchtte hij terwijl hij onvermoeibaar doorploegde.
"Wel, dat kan," klonk het plotseling naast hem. Tot zijn verbazing stond daar een vreemdeling, een zwerver.
"Alles wat jij mij opdraagt, zal ik doen," sprak de man. "Ik hoef geen loon en ook geen eten. Ik stel slechts één voorwaarde: zodra je echt geen werk meer voor mij hebt, moet je doen wat ik zeg."
"Akkoord!" lachte de boer, blij met de onverwachte hulp. Hij gaf de vreemdeling opdracht om het oude boerderijtje op te knappen.
Zijn vrouw bekeek de nieuwe knecht argwanend. "Moet je zijn voeten zien," fluisterde ze. "Het lijken wel bokkenpoten... Het zal toch niet de duivel zijn?"
Door haar ongerustheid besloot de boer een opdracht te verzinnen die onmogelijk was uit te voeren. Hij zei:
"Het touw van de putemmer is kapot. Draai uit zand een touw dat zo sterk is, dat mijn kleinkinderen het nog steeds kunnen gebruiken."
Toen de knecht dit hoorde, werd hij woedend. Hij stampte zo hard op de grond dat er een diepe kuil ontstond, vlak naast de put bij de boerderij. Hoe ze ook probeerden de kuil dicht te gooien, het lukte niet.
En die kuil? Die is er nog altijd. Men noemt hem de Duvelskoele.
